Bachelor in de politieke wetenschappen
 

1. Competentie in de Politieke Wetenschappen en aanverwante wetenschappen
B.1.1 Kernbegrippen en basisconcepten van de politieke wetenschappen (politiek, macht, ideologie, belangen, staat, democratie, …) correct hanteren.
B.1.2 Actuele evoluties en recente theorievorming kunnen verbinden met de voornaamste politieke verklaringsmodellen, politieke processen, grenzen, historische ontwikkelingen en de klassiekers van de politieke wetenschappen.
B.1.3 Kennis hebben van de Belgische, Europese en internationale politieke instellingen, hun geschiedenis, ontstaan en actuele ontwikkelingen.
B 1.4 hebben van de lokale politiek of van politiek in de derde wereld.
B.1.5 De basisbeginselen van de randwetenschappen (recht, psychologie, sociologie, communicatiewetenschappen, economie) kennen en hun relevantie voor de politieke wetenschappen kunnen duiden.
B.1.6 Kennis hebben van methoden en technieken voor wetenschappelijk onderzoek, data-analyse en wetenschappelijke theorievorming.
B.1.7 Internationale vakliteratuur kunnen identificeren, naar waarde schatten en begrijpen.

2. Wetenschappelijke competentie
B.2.1 Hedendaagse maatschappelijke situaties en ontwikkelingen kritisch kunnen analyseren en kunnen vertalen naar politicologische vraagstellingen.
B.2.2 Een probleemstelling, onderzoeksvragen en hypotheses helder kunnen formuleren.
B.2.3 De belangrijkste methoden van kwantitatief en kwalitatief sociaal-wetenschappelijk onderzoek verantwoord kunnen toepassen en kritisch evalueren.
B.2.4 De courante analysetechnieken van sociaal-wetenschappelijk onderzoek adequaat kunnen toepassen en de resultaten ervan correct kunnen evalueren.
B.2.5 Een onderzoeksproject kunnen voorbereiden en opzetten

3. Intellectuele competentie
B.3.1 Analytisch en probleemoplossend kunnen denken over politieke problemen.
B.3.2 Een oordeel kunnen vormen op basis van bestaande politiek-wetenschappelijke theorieën.
B.3.3 Een kritische houding hebben die getuigt van inlevingsvermogen, leergierigheid, gerichtheid op actualiteit, een constructieve houding t.o.v. feedback en bereidheid tot zelfstudie.

4. Competent in samenwerken en communiceren
B.4.1 Behoorlijk schriftelijk kunnen rapporteren over sociaal-wetenschappelijke ideeën, problemen, oplossingen en (eigen) standpunten.
B.4.2 Een heldere mondelinge uiteenzetting over een sociaal-wetenschappelijk onderwerp kunnen geven en kunnen deelnemen aan discussies.
B.4.3 Zelfstandig en in team kunnen werken.

5. Maatschappelijke competentie
B.5.1 Beleidsrelevantie en -implicaties van politieke kennis en handelen kunnen benaderen.
B.5.2 Inzicht hebben in de maatschappelijke rol en verantwoordelijkheden van politicologen.

6. Beroepsspecifieke competentie
B.6.1 Verdere studie- of beroepsmogelijkheden weloverwogen kunnen kiezen en zelfstandig kunnen functioneren in een werkdomein dat deels geavanceerd is.

   
  Naar het hoogste niveau van de site Naar een hoger niveau van de site Ga naar de algemene informatie Ga naar de help-pagina's Ga naar de zoekpagina's Engelse versie / English version Terug naar de vorige pagina Terug naar de hoofding van deze pagina